Lennart stampt de sneeuw van zijn bergschoenen. Hij heeft zojuist de storm getrotseerd om naar onze afspraak te komen. Ondanks de snijdende wind, en met zijn haar wit van de sneeuw, glimlacht hij van oor tot oor. Het is de laatste afspraak in zijn traject. En daar is hij trots op.
Zowel Lennarts blije verschijning als het huidige seizoen staan in contrast met onze eerste ontmoeting. Dat was aan het begin van de zomer. Terwijl een mild zonnetje mijn torenkamertje verwarmde, vertelde Lennart zichtbaar opgelaten wat hem bezighield in het leven. Hij sprak moeizaam, perste losse woorden samen tot haperende zinnen, liep vaak rood aan, zweet parelend op zijn voorhoofd.
De wortel van zijn klachten, zo dacht hij, lag in zijn jeugd. Hij was als enig kind van zijn ouders redelijk beschermd opgevoed. Bij ruzies met klasgenoten belden zijn ouders vaak op naar school om verhaal te halen. Lennart schaamde zich kapot, maar kon dat gevoel niet overbrengen. Om zichzelf te beschermen keerde hij naar binnen, stortte zich op zijn hobby (Major League Baseball in de Verenigde Staten) en begon minder te delen, terwijl de pesterijen doorgingen.
Zoals de tijd wel vaker die neiging heeft, leek hij ook deze keer wonden te helen. Lennart vertrok naar een leuke middelbare school, ging zelf honkballen, studeerde een poosje in het buitenland en het lukte hem om fijne waardevolle vriendschappen te sluiten. Het enige waar hij zich niet toe kon zetten, was zich openstellen voor een relatie met een vrouw. Zijn vrienden gingen trouwen en kregen kinderen, en hij realiseerde zich dat er voor hem nog werk aan de winkel was. Want zijn angst om op een vrouw af te stappen, was niet van het gewone soort. Het verlamde hem bijna. Na afloop van zo’n ontmoeting kon hij uren piekeren over wat hij anders had kunnen doen, wat de dame in kwestie over hem zou denken, praatte hij zichzelf de grond in, sliep er nauwelijks van.
Dat moest anders kunnen, besloten we na de intake. Ik haalde mijn metafoor van de duikplank van stal. Een plaatje waarin mensen zich vaak herkennen: bibberend met je tenen over de rand van de duikplank. Jezelf afvragend waarom je hier ook alweer staat. En dan toch springen. Het blije en opgeluchte gevoel dat je het gedaan hebt. De knijpende pijn wanneer je soms op je buik belandt… En het toch opnieuw proberen en het na verloop van tijd zelfs leuk gaan vinden.
In het geval van Lennart stond de duikplank synoniem voor praten met vrouwen. Ik attendeerde hem erop dat hij er in dit gesprek al mee begonnen was. Hij kleurde dieprood bij de realisatie en kon tegelijkertijd onderkennen dat hij de eerste sprong gewaagd had. In de weken die volgden, stapte hij steeds verder uit zijn comfortzone. Hij sprak met partners van zijn vrienden, met vrouwelijke collega’s, knoopte met vrouwen die hij niet kende een gesprekje aan. Van binnen leek er iets te helen: hij voelde zich steeds kalmer en zekerder. Vertelde vlotter, lachte meer, maakte meer oogcontact.
Vandaag vertelt Lennart dat hij nooit verwacht had zo ver te komen. Hij wil zijn inspanningen naar een volgend niveau tillen: ‘Ik word professioneel duiker’, zegt hij, ‘Ik 2026 ga elke uitdaging om mijn angst te overwinnen aan’. En terwijl buiten de sneeuw opnieuw begint te vallen, weet ik: Lennart staat niet langer bibberend op de rand — hij heeft de moed gevonden om te blijven springen.